Sustainable Health Care Lab | EEN DUURZAME TOEKOMST VOOR DE GGZ (8-9-2015)
368
portfolio_page-template-default,single,single-portfolio_page,postid-368,qode-quick-links-1.0,ajax_fade,page_not_loaded,,vertical_menu_enabled,qode_grid_1300,side_area_uncovered_from_content,qode-theme-ver-14.2,qode-theme-bridge,disabled_footer_top,wpb-js-composer js-comp-ver-5.1.1,vc_responsive

EEN DUURZAME TOEKOMST VOOR DE GGZ (8-9-2015)

Op dinsdag 8 september van 18.00 – 21.30 uur heeft het Sustainable Healthcare Lab een dialoogbijeenkomst georganiseerd met als titel: “Een duurzame toekomst voor de GGZ”.
Verslag en presentaties:

Ruim zestig deelnemers kwamen op dinsdag 8 september naar weer een levendige en inspirerende bijeenkomst van het Sustainable HealthCare Lab (SHCLab). Ditmaal is de toekomst van de geestelijke gezondheidszorg (GGz) het thema. Hoewel de aanwezige behandelaars en bestuurders op hun werk hun handen vol hebben aan de huidige verregaande veranderingen als beddenreductie en transities, is iedereen op zoek naar een ontwikkelrichting voor de langere termijn. Hoe ziet de GGz er over vijf tot tien jaar uit?
Jan Tromp, arts-psychotherapeut en voormalig bestuurder in de GGz, leidt namens de collegae van SHCLab de avond in. Hij heeft deze bijeenkomst georganiseerd vanuit een welgemeende behoefte om in deze tijd van ‘deconstructie van de GGz’ te onderzoeken of er een nieuw perspectief ontstaat. Is er sprake van innovatieve disruptie in het domein? Dient zich een nieuw en duurzaam ‘verhaal’ aan? En wat zijn daarvan de belangrijkste pijlers?

SHCLab heeft vier boeiende sprekers bereid gevonden om elk vanuit hun perspectief de zaal mee te nemen naar een nieuw zicht op een duurzame GGz. Sommige aanwezigen herkennen vanavond verschillende coördinaten uit het SHCLab-manifest.

Deelnemers vestigen de aandacht op de noodzakelijke verschuiving van de GGz van het medische naar het sociale domein en van aanbodgerichte naar persoonsgerichte zorg. Zelfmanagement is een ander sleutelbegrip vanavond, gelieerd aan het gezondheidsconcept dat Machteld Huber onder veel instemming toelicht. Rond haar steevast oneerbiedig aangeduide ‘spinnenweb’ zal zich een groot deel van de discussies ontspinnen, gesprekken die verder gaan dan hier en daar een baken verzetten. Enthousiaste deelnemers durven met elkaar de GGz behoorlijk diepgaand opnieuw uit te denken.

Hardnekkig niet luisteren
De aftrap is voor Wilma Boevink, wetenschappelijk medewerker van het Trimbos Instituut. Boevink is als ervaringsdeskundige avant la lettre al jaren actief in de Herstelbeweging. Ze signaleert een groeiend zelfbewustzijn onder patiënten en bepleit dat hun ervaringskennis als volwaardige kennis naast die van de behandelaars mag gelden. “Er is geen sector waar zó hardnekkig niet geluisterd wordt als de GGz. Je hoeft de wensen van iemand die ‘iets in zijn bovenkamer mankeert’ niet serieus te nemen, is de redenering. Iemand mankeert echter in de regel niet voortdurend iets, maar soms. In de tussenliggende periodes kan hij zijn kennis uitstekend overbrengen.” Een gedeeld eigenaarschap van de GGz is waar we heen zouden moeten, volgens de onderzoeker. In de groepsdiscussie rond dit thema is iedereen het daarover eens. Maar men signaleert een angst bij behandelaars om af te stappen van het goedbedoelde paternalisme ‘ik ben de arts, ik weet wat goed voor u is’. Deze houding loslaten en de inbreng van de patiënt werkelijk in de behandeling integreren, blijkt geen gemeengoed. Evenmin is helder hoe precies ervaringsdeskundigheid in de organisatie moet worden geborgd. Behalve in de 1-op-1-consulten, blijft er behoefte aan een structurele verankering van deze kennis, al was het maar omdat 1-op-1-consulten steeds minder voorkomen.

Eigen veerkracht
De patiënt – of liever: persoon! – in the lead is ook het uitgangspunt van arts-onderzoeker Machteld Huber van het Louis Bolk Instituut. Binnen de commissie Kaljouw werkt ze mee aan een innovatief toekomstplan van zorgberoepen en -opleidingen. Toen Huber als beginnend huisarts zelf meermaals patiënt werd, raakte ze gefascineerd door de vraag welke factoren in iemands leven herstelbevorderend werkten: waar haalt iemand zijn veerkracht vandaan? Ze begon met herdefiniëren van de traditionele term ‘gezondheid’ naar het bredere concept ‘positieve gezondheid’: ‘Het vermogen om je aan te passen en je eigen regie te voeren in het licht van de sociale, fysieke en emotionele uitdagingen van het leven.’ De factoren die bijdragen aan een goede gezondheid werkte Huber uit in het volgende model:

 


Volgens Machteld Huber begint alles met de vraag ‘Wat wilt u veranderen?’ Iemand die het nog lege model voor het eerst invult en vaststelt dat hij op een voor zijn gevoel essentiële waarde te laag ‘scoort’, kan besluiten daar iets aan te doen. Een maand later zou hij iets beter kunnen scoren op diezelfde waarde. Op die manier vergroot hij zijn gezondheidsoppervlak. In de toekomst ziet Huber graag dat iemand die het model invult en op bepaalde punten ondersteuning nodig heeft, kan doorklikken naar een e-Health-module. Ook vertelt ze dat de factor ‘zingeving’ de sterkste gezondmakende factor blijkt.

Tijdens de uitleg over dit nieuwe gezondheidsconcept klinkt er ‘Eye-opener!’ in de zaal. Anderen hadden Hubers inzichten al eerder gehoord, maar de heldere toelichting maakt de tongen los, ook later in het subgroepje. Het model en de logica erachter worden toegejuicht: zelf iets doen aan je gezondheid daar waar jij vindt dat dit moet, niet als vanzelfsprekend een medisch inhoudelijke weg route kiezen, in samenhang en vanuit patiëntenperspectief het totaalplaatje bekijken en daarbij meer aandacht geven aan coaching en ondersteuning. Daarnaast wordt gewezen op zorgvuldige praktische toepassing van het ‘spinnenweb’ als instrument, dat op zichzelf uitstekende input zou kunnen vormen voor het SHCLab-Manifest.

 

Stop eindeloos escaleren
Ook psychiatrisch epidemioloog Jim van Os (MUMC) kiest een integrale invalshoek voor zijn verhaal, dat begint met de simpele constatering dat 25% van de Nederlandse bevolking op jaarbasis behoefte heeft aan een vorm van GGz en dat we momenteel 7% in behandeling hebben. Hij onderstreept dat hier sprake is van een Public Health-probleem en stelt kritische kanttekeningen bij de ‘keuzes’ die momenteel gemaakt worden waar het gaat om welke problemen wel of niet behandeld worden. Van Os: “Wat willen we eigenlijk bereiken: de afwezigheid van symptomen of aanpassingsvermogen en eigen regie? Willen we iets bereiken door valse beloften te doen of door zinvolle doelen te stellen? We moeten af van die diagnosegeoriënteerde aanpak met eindeloos escaleren en eindelijk eens fasegericht gaan werken.” Hij bepleit dat we goed moeten kijken naar wat wel en wat niet werkt, naar het waarom achter de geldstromen, naar onder- en overbehandeling van bepaalde aandoeningen in onderlinge vergelijking. Hij sluit aan bij Wilma Boevink waar het gaat om beter luisteren naar de patiënt: “We moeten ophouden met dat hullie-zullie denken. We zijn allemáál ervaringsdeskundigen.

 

Wijkgericht aanpakken
De toekomst van de nieuwe GGz ligt volgens Van Os in een wijkgerichte aanpak. “We zijn bezig met een boek hierover. Dat gaat over een populatie van ca. 20.000 mensen die zoveel mogelijk hun eigen regie voeren en een team van professionals die elkaar weten te vinden.” Hij is ervan overtuigd dat dit soort van integrale netwerkzorg beter zal werken. Ook m-Health en e-Health moeten in de nieuwe Public Health aanpak een echte plaats krijgen: “We kunnen de aantallen patiënten niet aan met 1-op-1-consulten.”
In de discussie stellen de deelnemers later enkele bezorgde kanttekeningen bij een wijkgerichte aanpak: Zou die niet leiden tot een gemeentelijke regie vergelijkbaar met die over Jeugdzorg? Gaat dan ook de volwassenenpsychiatrie naar de WMO? En wat te denken van hoge frictiekosten bij de bestaande instellingen? Is het niet beter uit te gaan van een gedeeltelijke outputbekostiging gebaseerd op de dimensies uit het model van Huber?

 

Geen V&D meer
Als laatste krijgt Adriaan Jansen, RvB-voorzitter van GGZ Friesland de microfoon. Hij zet zijn perspectieven op het gebied van organisatiekunde en verandermanagement naast de idealen van de eerdere sprekers. De praktijk van onsamenhangende geldstromen en sturingsmechanismen, regeldruk, gestapeld toezicht en transities blijkt behoorlijk weerbarstig en met regelmaat de goede wil en het gezonde verstand in de weg te zitten. Toch gelooft ook Jansen in een houdbare GGz. In zijn visie is het zonneklaar dat de toekomst geen ruimte biedt aan grote V&D-achtige instellingen, maar aan ‘heterogene allianties’: vraaggedreven flexibele groepen van samenwerkende organisaties. In een zich differentiërende en segmenterende zorgmarkt is niet zozeer concurreren de kunst, maar op onderdelen samenwerken. Kennis opbouwen, delen en borgen vindt Jansen een belangrijk aandachtspunt, ook als gekozen zou worden voor een populatiegerichte aanpak als in het voorbeeld van Van Os. Als afsluiter wil hij nog een waarschuwing kwijt: “Cultuurveranderingen laten zich niet top-down afdwingen.”

 

Plenair en later bij de borrel wordt volop nagepraat. In de gepresenteerde thema’s mist een groep aandacht voor preventie in het sociale domein en vult die zelf in. Geopperd wordt dat gemeenten, door de WMO gestimuleerd, meer aandacht gaan schenken aan vormen van preventie, waar de verzekeraars die uit de GGz hebben ‘gesneden’.

 

Hubers concept staat verder centraal: het richtingsgevoel voor de toekomst van de GGz gaat in dit gezelschap uit van gezondheidsbevordering die begint vanuit de patiënt zélf.

 

Verslag: Linda van Ingen, freelance tekstschrijver met focus op Zorgvernieuwing.